Bovenop een vaste arbeidsomvang maken partijen steeds op tijdelijke basis afspraken over de uitbreiding van deze arbeidsuren. De kantonrechter Zwolle oordeelt op 3 maart 2009 dat deze afspraken steeds als een afzonderlijke arbeidsovereenkomst moeten worden aangemerkt, waardoor er bij de vierde verlening op grond van artikel 7:668a lid 1 sub b BW een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan. De feiten Werkneemster is voor onbepaalde tijd in dienst van werkgever voor 24 uur per week. Daarnaast komen partijen sinds 1 oktober 2004 steeds op tijdelijke basis overeen dat werkneemster 10 extra uren per week werkt. De laatste (en vierde!) urenuitbreiding van 24 naar 34 uur per week is ingegaan op 1 april 2007 voor de duur van een jaar. In december 2007 is werkneemster arbeidsongeschikt geworden. Op 1 april 2008 – een jaar na de laatste overeenkomst van urenuitbreiding – biedt werkgever haar geen nieuwe urenuitbreiding aan. Hij vermindert de loonbetaling en baseert deze op een arbeidsomvang van 24 uur per week. Sinds 1 juli 2008 is werkneemster weer volledig arbeidsgeschikt en werkt zij 24 uur per week. Vordering en standpunt werkneemster Werkneemster stelt zich echter op het standpunt dat er tussen partijen een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met een arbeidsomvang van 34 uur per week geldt. Zij vordert voortzetting van deze arbeidsovereenkomst vanaf 1 april 2008 én betaling van achterstallig loon. Werkneemster meent dat bij de afspraken over urenuitbreiding steeds sprake was van een (nieuwe) tijdelijke arbeidsovereenkomst en dat inmiddels vier van deze contracten elkaar hebben opgevolgd. Op |
grond van artikel 7:668a lid 1 sub b BW geldt, aldus werkneemster, het laatste contract als te zijn aangegaan voor onbepaalde tijd. Beoordeling De vraag die partijen verdeeld houdt is of de afspraken over urenuitbreiding steeds moeten worden gekwalificeerd als zelfstandige arbeidsovereenkomsten waarop artikel 7:668a BW van toepassing is (=standpunt werkneemster), dan wel dat er sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst die voor wat betreft de urenomvang een aantal malen achtereen een wijziging heeft ondergaan door nadere afspraken tussen partijen (=standpunt werkgever). De kantonrechter Zwolle volgt het standpunt van werkneemster en kwalificeert de afspraken over urenuitbreiding als afzonderlijk te identificeren arbeidsovereenkomsten. De rechter sluit voor zijn oordeel aan bij de ratio van artikel 7:668a BW, te weten het verschaffen van zekerheid en bescherming aan de werknemer. Hij overweegt dat deze zekerheid en bescherming bij de door werkgever voorgestane interpretatie ongedaan gemaakt wordt. Alsdan zou het voor een werkgever immers mogelijk zijn om een werknemer in dienst te nemen op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met een geringe urenomvang en daarnaast steeds tijdelijke afspraken te maken over een omvangrijke urenuitbreiding, zonder dat dit ooit zou leiden tot een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd voor die extra uren. Het betoog van werkgever – dat partijen nooit de intentie hebben gehad om een nieuwe, extra arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd voor 10 uur per week te sluiten – leidt niet tot een ander oordeel. Dit betoog van werkgever impliceert, aldus de rechter, dat partijen bij overeenkomst kunnen afwijken van artikel 7:668a BW. De rechter overweegt dat |
partijen kunnen afspreken wat hen goeddunkt, maar dat zij niet bij overeenkomst het rechtsgevolg ongedaan kunnen maken, dat artikel 7:668a lid 1 sub b BW verbindt aan vier tijdelijke arbeidscontracten op rij. Op grond van het bovenstaande concludeert de kantonrechter dat het vierde contract tussen partijen geldt als aangegaan voor onbepaalde tijd. Werkneemster heeft derhalve op 1 april 2008 een vaste dienstbetrekking voor 34 uur per week en zij heeft recht op loonbetaling behorende bij dat aantal uren. De vorderingen van werkneemster worden toegewezen (LJN BH5911). Vergelijk In een vergelijkbare zaak kwam de kantonrechter Heerlen op 27 februari 2008 tot een ander oordeel over de toepasselijkheid van artikel 7:668a BW (LJN BC5549). Ook in deze zaak ging het om een werkneemster van wie de arbeidsduur steeds op tijdelijke basis werd verhoogd. Als deze werkneemster ziek wordt, deelt werkgever haar mede dat de tijdelijke verhoging vervalt. Werkneemsters beroep op het bestaan van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd op grond van (de letter van) artikel 7:668a lid 1 sub b BW faalt. De rechter overweegt hier dat er géén sprake was van opvolgende arbeidsovereenkomsten, maar “slechts” van een tijdelijke ophoging van het aantal uren, waarbij de inhoud van de arbeidsovereenkomst en de werkzaamheden van werkneemster steeds hetzelfde zijn gebleven. Wél oordeelt de kantonrechter, dat het handelen van werkgever strijdig is met de door de wetgever met artikel 7:668a BW beoogde bescherming van de rechtszekerheid van werkneemster. De kantonrechter concludeert op grond hiervan dat werkgever heeft gehandeld in strijd met het beginsel van goed werkgeverschap (artikel 7:611 BW) door de arbeidsduur van werkneemster te halveren op het moment dat zij chronisch ziek bleek. |